De ogen van de berg
Mijn vragen over de ‘ogen’ van de berg als een soort menselijke ogen, waarover ik mijn aanvraag schreef, heb ik al vroeg tijdens mijn artistiek onderzoek herzien. In eerste instantie meende ik ze te kunnen plaatsen op de top van de berg, omdat bergbeklimmers zich aangetrokken voelen door de bergtop om van daaruit het verre landschap te kunn
en waarnemen; het uitzicht vanaf de top maakt de bergbeklimmer een alziend-ik. Maar is dit voor een berg niet een beperkte gedachte. Een berg heeft veel meer te bieden dan de bergtop. Een berg is ‘gewoon’ aanwezig. Een berg heeft een grote omvang, een binnenkant en een buitenkant. De blik van de berg staat in haar huid gegrift, haar voeten stevig in de aarde geplant.
Dit alles bracht me op de gedachte mij te concentreren op de huid van de berg. Omdat ik die kon aanraken en kon ruiken. Omdat ik erop liep. En omdat ik op de huid van de berg de stenen vond waar ik mijn Lithic Imagineries mee maakte. Om de huid van de berg beter te kunnen bekijken en invoelbaar te maken, begon ik haar te tekenen met potlood. Tekenen betekent voor mij beter kijken, opnieuw kijken, aandacht geven en de tijd nemen.
Op deze manier kwam ik in contact met de berg. Hoe een berg is ontstaan, is vervormd en hoe zij zich verhoudt tot de bergen rondom haar. Ik leerde vele gezichten van de berg te zien en hoorde hoe bergbeklimmers naar de ‘beste’ route zoeken om de bergtop te bereiken.
Voor mijn tekeningen experimenteerde ik met vulpotlood en Caran d’Ache (Zwitserse) grafiet potloden. De kleur van het vulpotlood gaf een zilveren gloed waar de berg enigszins doorschijnend van werd.
Tijdens mijn wandelingen werd ik meer aangetrokken door grijze dagen in plaats van door zonovergoten helderblauwe luchten.
Als de lucht helderblauw is, lijken de bergen te schreeuwen ‘fotografeer mij, kijk hoe mooi ik ben’. Die schoonheid is al zo vaak vastgelegd en getoond. Bovendien zorgt de reflectie van de zon op de sneeuw ervoor dat mijn ogen worden verblind. Dat ze er zelfs door zouden kunnen worden aangetast, en sneeuwblindheid oplopen.
Menselijke ogen lijken me vooral gemaakt voor zacht licht. Voor licht dat wordt gefilterd door de wolken. Luchten die versmelten met de bergen, bergen die versmelten met de lucht; één geheel gaan vormen. Met gedempt licht lossen de schaduwen op en verdwijnt het gevoel van diepte. Alles lijkt dan naast elkaar te bestaan. Er is veel minder te zien, omdat de wolken het zicht op het landschap filtert en afschermt. Contouren vervagen, kleuren lossen op. We noemen dit vaag, maar het verzacht, het verzacht wat ik zie. Het verzacht mijn fysieke aanwezigheid. Ook ikzelf word er zachter van, ga zachter spreken, neem meer tijd om mijn voeten neer te zetten. Zouden we niet allemaal zachter worden als we onze bril afzetten? Voorzichtiger, langzamer, meer afhankelijk van elkaar.
Ik leerde ook beter te kijken, naar de bergen en naar wat er leeft. Ik leerde onderscheid te zien tussen bewegende en schijnbaar stilstaande voorwerpen. Wanneer ik stil ging staan en rustig om mij heen keek, zag ik gemzen, herten, alpenkauwen.
grafietpotlood op papier, 30 x 42 cm
